Genootschap Leeuwen van het Centraal Station

Ontwerper

Schets door architect A.L. van Gendt
De landhoofden waarop de leeuwen werden geplaatst, werden ontworpen door architect A.L.(Dolf) van Gendt. Uit de bestekken voor de openbare aanbestedingen en de bijbehorende bestektekeningen uit 1880, 1871 en 1874 blijkt dat hij in zijn ontwerp bepaalde dat de landhoofden moesten worden verfraaid met 22 stenen leeuwen, en van welke afmeting ze diende te zijn. Op deze tekeningen is ook globaal aangegeven hoe het leeuwenbeeld er uit diende te zien: een zittende leeuw, de kop een kwartslag gedraaid, die in zijn voorpoten een wapenschild vasthoudt, met ofwel een Amsterdams stadswapen of een Rijkswapen.

1874, detail tekening bestek nr. 593

1874, detail van tekening in bouwbestek nr. 593

Beeldhouwer Henri Geelen (1841-1921) ontwierp de 6 Korte Prinsengrachtleeuwen
Het definitieve ontwerp van de leeuw werd gemaakt door H. Geelen (bron: Lida Goede op de beeldenwebsite Buitenbeeldinbeeld). Dat geldt althans voor de zes beelden die in 1872 op het spoorviaduct bij de Korte Prinsengracht werden gezet. Zijn ontwerp is de kunstzinnige uitwerking van de ruwe schets en aanwijzingen van Van Gendt. De 16 grote leeuwen op de Ooster- en Westertoegang zijn overigens vermoedelijk niet van de hand van Geelen.

Voluit heette hij Jan Baptist Hendrik Hubert Geelen, voornaam Henri, Henricus of Hendrik. Deze beeldhouwer had een eigen atelier aan de Kapel in Roermond, en had ook steenhouwers in dienst. Zijn naam is vooral verbonden met allerlei kerkelijke kunstwerken. Zo maakte hij in 1877 het hoogaltaar, Maria-altaar en delen van het St. Victor-altaar van de katholieke kerk Sint Victor in Batenburg. En in de katholieke Sint Matthiaskerk van Posterholt (L) staat een beeld van Paus Cornelius dat Geelen maakte in 1879. Ook de beeldengroepen in het hoogaltaar van de Sint Gertrudiskerk te Maasbracht zijn van zijn hand (1903). Allemaal kerkelijke kunst. De Amsterdamse spoorleeuwen lijken zelfs de enige niet kerkelijke beeldhouwwerken van Geelen te zijn.

Hoe en waarom Geelen de opdracht kreeg van de Staatsspoorwegen om in 1872 zes leeuwenbeelden te ontwerpen en uit te voeren, is niet bekend. Zou er een verband zijn met de Pierre Cuypers (1827-1921), de architect van het Centraal Station? Hij was een tijdgenoot van Geelen. Ze waren bovendien allebei katholiek en geboren in Roermond. Beide mannen woonden en werkten in die stad. Cuypers had er zijn werkplaatsen en Geelen zijn atelier. Cuypers heeft meer dan 100 kerken gebouwd en verbouwd en verzorgde daarbij ook vaak het interieur. Het is zeer waarschijnlijk dat de twee elkaar hebben gekend en elkaar bij kerkelijke projecten zijn tegengekomen.

Geelens leeuwen werden publiekelijk geprezen. Dat blijkt onder meer uit onderstaand openbaar getuigschrift. Van zijn Amsterdamse creatie, die hij in opdracht van de Staatsspoorwegen maakte, zijn kopieën gevonden in Boxtel, Valkeveen en Well. Het beeld in Valkeveen is een exacte kopie, vermoedelijk gemaakt in 1875. Dat kan ook gelden voor de beelden in Boxtel en Well, alhoewel het in het laatste geval waarschijnlijker lijkt dat het gaat om de originele modellen die Henri Geelen in 1871 of 1872 heeft gemaakt in opdracht van de Staatsspoorwegen. Alhoewel zijn kunstenaarschap alom werd geprezen, heeft hij toch niet de vervolgopdracht gekregen voor de 16 grotere leeuwenbeelden. Deze hebben weliswaar eenzelfde pose en concept, maar zijn toch behoorlijk anders van uiterlijk. Daarom zullen de grotere exemplaren, die in 1876 op de Wester- en Oostertoegang werden geplaatst, door een andere beeldhouwer zijn ontworpen. Het blijft onduidelijk waarom Geelen de vervolgopdracht niet kreeg, terwijl men zo lovend was over zijn creatie in 1872.

3-11-1872, bericht in de Maas- en Roerbode

2017, Boxtel, kopie Korte Prinsengrachtleeuw, ontwerp Henri Geelen (foto Lida Goede, detail)

2010, Vlissingen, grote leeuwen niet door Henri Geelen ontworpen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tobias van Nieuwenhoven: ontwerper van de 16 grote leeuwen?
In de familie Van Nieuwenhoven weet men op basis van de familieoverlevering dat Tobias van Nieuwenhoven (1844-1883) de leeuwen heeft gemaakt. Maakte hij het definitieve ontwerp voor de 16 grote leeuwenbeelden op de Wester- en Oostertoegang? Was hij de beeldhouwer? Of was hij een steenhouwer, die één of meer leeuwen heeft gehakt op basis van het ontwerp van de hoofd beeldhouwer?

Gabe Kappenburg: ontwerper van de 16 grote leeuwen?
Ook binnen de familie Kappenburg weet men dat voorvader Gabe Kappenburg (1836-1907) de leeuwenbeelden van de Oostertoegang heeft gemaakt. Een kleindochter van Gabe schreef hierover in 1982 het volgende aan een familielid: “Mijn moeder heeft vaak verteld dat, deze Gabe dus, een heel goed beeldhouwer was. Hij was welliswaar in loondienst, maar hij kreeg van zijn firma toch persoonlijke opdrachten. Zo heeft hij o.a. de leeuwen van het Centraal Station in Amsterdam en die van de brug voor het Centraal Station in Amsterdam, zelf gemaakt. De leeuwen van het C.S. waren bevestigd aan het oostelijk viaduct, waaronderdoor de voetgangers gingen. Mijn grootvader is uiteindelijk de oudste steenhouwer van Amsterdam geworden, namelijk 70 jaar, wat in die tijd voor dat vak, bijzonder was.” Ook hierbij geldt dat niet bekend is of hij een steenhouwer was of de beeldhouwer.

Gekapt in plaats van gegoten
De leeuwen zijn gekapt uit zandsteen en dus niet in beton gegoten. Op de rug van onder meer de Vlissingse leeuwen zijn de haksporen nog te zien. Volgens de specialist van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg werd hier gebruik gemaakt van een tandijzer, een soort speciale beitel, waarmee het oppervlak verder werd geëgaliseerd. “In veel gevallen maakte een beeldhouwer in die tijd, in opdracht van een architect of een principaal, een model in gips met afmetingen zoals door de architect in zijn totaalontwerp bedacht. Het onderwerp was ook een gegeven en diende dus ook door architect en opdrachtgever beoordeeld te worden alvorens toestemming gegeven werd om het ontwerp in steen te vertalen. Was het ontwerp goedgekeurd dan kon de steen besteld worden. In de meeste gevallen werd dan het grove voorhakwerk door uitvoerders gedaan en werd door middel van een punteerapparaat, maar ook met passers, de vorm in gips exact overgebracht in steen. Zo kreeg men de verschillende beelden gelijk aan elkaar.” (bron: artikel “Leeuwen van het Spoor” door Doeke Roos jr. in Stadsveste Vlissingen december 2005).

 

 

 

 

– laatste update 9 oktober 2017